START
CONTACT & INFORMATIE
AGENDA KC ZEIST
NIEUWS
VERSLAGEN & UITSLAGEN
OPVOEDING & GEHOORZAAMHEID
BEHENDIGHEID
FLYBALL
WORKSHOPS & CURSUSSEN
LINKS & WEBLOGS
FOTO & FILM
DOWNLOADS & LEESHOEK
ARCHIEVEN
Theorie GH 1 Gedrag

 

Een hond is een hond, is een hond, is een wolf, maar geen mens!

 

Om een hond op te voeden tot een prettige kameraad en roedelgenoot is het een eerste vereiste dat men zijn gedrag begrijpt. Een hond denkt niet als een mens en zal dit ook nooit kunnen. Hij kent zoals de mens emoties, gevoelens van lust en onlust, maar hij is niet in staat om zaken te beredeneren. Hij reageert direct op prikkels. Op prikkels van binnen uit, als hij bijvoorbeeld slaap, honger, of dorst heeft; op prikkels van buiten af door te reageren op dingen die hij ruikt, hoort, ziet, voelt of proeft. Daarin zijn wel variaties mogelijk, hij reageert niet altijd hetzelfde. De ene keer is een bepaalde geur belangrijk, een andere keer laat hij diezelfde geur de geur en reageert op iets wat hij hoort, bijv. de stem van de baas die hem roept.

 

De prikkel, komend van de baas, is in dit geval voor de hond het belangrijkst. Is de verstandhouding tussen beiden minder goed, dan heeft hij maling aan de baas en blijft lekker snuffelen.

 

Inwendige prikkels kunnen ook de motivatie bepalen om ergens op te reageren. Als de hond een bak met water ziet en hij heeft geen dorst, dan zal hij niet gaan drinken. Als de hond bang is, is dat een seintje voor sommige hormoon klieren om stoffen af te geven aan het bloed die het lichaam direct gereed maakt te reageren.

 

Hij zal dan actie ondernemen en het hangt van de omstandigheden af of hij zal luchten of uitvallen.

 

Omdat de hersenschors bij de mens groter en meer ontwikkeld is dan bij de hond en juist in dit deel van de hersenen het vermogen ligt tot redeneren, vooruit denken (plannen), het geheugen en het taalgebruik volgt hieruit dat de mens zowel kan reageren met het gevoel (op menselijk niveau te vergelijken met de hond) als met het verstand. Hij kan dus, in tegenstelling tot de hond, van tevoren bedenken wat hij in een bepaalde situatie gaat doen of zeggen. De mens kent bovendien het verschil tussen goed en kwaad en begrijpt regels. Men kan honden regels leren, maar het uitleggen waarom hij zich aan een bepaalde regelmoet houden is niet mogelijk. Mens en hond kunnen heel goed samen leven en veel plezier aan elkaar beleven; het zijn echter twee heel verschillende wezens met hun eigen reacties op prikkels uit de omgeving.

 

Alhoewel de hond afstamt van de wolf lijkt hij, enkele rassen daargelaten, heden ten dage qua uiterlijk niet of nauwelijks meer op de wolf. Qua innerlijk, zijn zijn instincten in wezen niet anders dan die van zijn voorouders, de wolven. Het verschil is, dat de mens bij de verschillende rassen geselecteerd heeft op gewenste gedragseigenschappen, waardoor de ene hond bijvoorbeeld meer geschikt is om mee te jagen, de andere om het territorium te bewaken en een volgende om een kudde te verdedigen tegen roofdieren. Door domesticatie (huisdier-wording) en selectieve fokkerij zijn uit de allrounder, de wolf, specialisten ontstaan in de vorm van vele hondenrassen. Met dit aangeboren gedrag hebt u te maken als u de hond iets wilt leren, hem wilt opvoeden.

 

Wolven leven in roedels met een rangorde-structuur. In de groep is één de leider, deze bepaalt wat er gebeurt. Hij geeft aan wanneer en hoe er gejaagd wordt en hij leert de jonge dieren wie de baas is. Veel roedelleden streven naar een zo hoog mogelijke rang, omdat dat voordelen opleveren; het beste voedsel, de beste slaapplaats. Bovendien heeft een ranghogere wolf meer succes in de voortplanting dan een ranglagere, die daar de kans meestal niet voor krijgt. Om een bepaalde positie te verwerven wordt er niet op leven en dood gevochten, dat zou niet in het belang van de instandhouding van de soort zijn. Alle leden van de roedel hebben elkaar nodig, omdat er meestal op groot wild wordt gejaagd. Door de stand van de oren en de staart, geluiden en door hoge en lage lichaamshoudingen worden de meeste problemen opgelost. Wolven zijn sociaal levende dieren met een groot leervermogen.

 

De combinatie van intelligentie, behoefte aan genegenheid en sociaal gedrag heeft de hond in de loop der jaren tot een fijne partner van de mens gemaakt. Hij denkt en voelt echter nog steeds als zijn voorouders. Ook veel honden streven in een menselijke roedel een zo hoog mogelijke positie na, alhoewel niet bij alle rassen of per hond even duidelijk naar voren komt. Hij begrijpt in elk geval niets van een anti-autoritaire opstelling van de baas. Eén moet de baas zijn en als de mens dat niet op zich neemt, niet kan of wil (in dit laatste geval een verkeerde democratische instelling), dan neemt de hond deze plaats in, anders fungeert de roedel niet, hij kan niet anders. Het gevolg is dat hij dan ook het recht heeft verworven om de( in zijn ogen) lager in rang zijnde mens te corrigeren als hij dit nodig vindt. Dit doet hij door te grommen en / of te bijten als hem iets niet bevalt. Te grote vrijheid van de hond, te weinig leiding leidt maar al te vaak tot een lijdensweg voor de mens en de hond. De hond verliest het in zo’n situatie altijd, hij vertoont “vals “ gedrag of heeft een “onbetrouwbaar karakter” en hij maakt uiteindelijk zijn laatste gang naar de dierenarts. Hij is slachtoffer van onwetendheid of laksheid van de mens.

 

Degene die de leiding geeft in de mens/hond roedel moet dus nooit de hond zijn, maar de mens. In een gezin functioneert de hond het beste als laagste in rang. Het is daarom belangrijk dat er afspraken worden gemaakt, wat de hond wel en niet mag. Ieder lid van de roedel moet zich houden aan deze afspraken, dat is voor de hond duidelijk. Een goede leider is ook consequent, dus niet de ene dag wel op de bank en de andere dag niet. Een goede leider (mens) imponeert door de houding en stem. Hij loopt niet de hele dag door te grauwen en te snauwen en boos te zijn, integendeel; hij is rustig met een groot geestelijk overwicht. Hij respecteert de hond in zijn hond-zijn en probeert door zijn manier van om gaan met de hond zijn vertrouwen te winnen.

 

 

Opvoeden moet. 
De druk op hondenbezitters is de laatste jaren steeds groter geworden en zal nog toenemen in de komende jaren. De meest voorkomende problemen zijn de loslopende honden, de hondenpoep, blaffende en bijtende honden. Er komen steeds meer regels, zoals aanlijn geboden, hondenbelasting, vaak veel te kleine of helemaal geen losloopgebieden. Er wordt de hond veel vrijheid ontnomen. De oorzaak van de problemen wordt door al die maatregelen echter niet aangepakt. Natuurlijk zijn loslopende honden een gevaar in het verkeer, met vaak een fatale afloop voor de hond, en eventueel gewonde of ernstig geschokte mensen. Bovendien krijgen deze honden de kans overal  hun ontlasting te deponeren. Een hond kan gemakkelijk leren op een bepaalde plek zijn behoefte te doen. Dat moet niet op een trottoir of midden op een grasveld zijn, maar in de bosjes of helemaal aan de rand van het grasveld, als het niet anders kan. Dit is even een kwestie van een hoopje oppakken en daar naar toebrengen waar hij het in het vervolg mag doen. De volgende keer wordt hij daar naar toegebracht, ruikt zijn eigen geur, wat hem stimuleert het daar weer in de buurt te doen. Als de geleider hem hierbij een commando geeft, bijvoorbeeld, “hoopje” of “in het bosje”, dan leert hij bovendien om, als hij moet, het op commando te doen. Is het, na verloop van tijd( zes weken), een gewoonte geworden om zich in de bosjes te ontlasten, dan zal hij loslopend in een vreemde (doch veilige) omgeving, op eigen initiatief ook de bosjes opzoeken. Kent hij intussen het commando “hoopje”, dan is het mogelijk om de hond zich eerst te laten ontlasten op een daarvoor bestemde plaats, voordat hij mag spelen. De problemen blaffen en bijten zijn vaak op te lossen als er iets aan de oorzaak wordt gedaan. Als de hond als een klein mensje wordt opgevoed kunnen er ook grote problemen ontstaan. We kunnen de hond niet vragen een beetje mens te worden om ons te begrijpen, daarentegen zou de mens wel een beetje hond kunnen worden. Dit betekent niet dat u nu direct op vier poten moet gaan lopen, maar wel meer “honds” moet gaan denken. Als u uw hond behandelt, zoals hij verwacht behandelt te worden, dan zult u merken dat opvoeden helemaal niet zo moeilijk is en de oorzaak van veel problemen wordt weggenomen.

 

 

Ontwikkelingsfasen.

 

Het sociale gedrag van honden is niet aangeboren, het is wel in aanleg aanwezig, maar het moet door leerprocessen ontwikkeld worden. De hond krijgt, net als de mens, bij de geboorte bepaalde eigenschappen mee; de zogenaamde erfelijke eigenschappen, die van invloed zijn op zijn gedrag. Daarnaast doorloopt de hond, voordat hij volwassen is, een aantal ontwikkelingsfasen die minstens evenveel invloed uitoefenen op zijn latere gedrag.

 


1. Neonatale of eet- en slaapfase (geboorte tot ongeveer 2 weken).

 

In deze periode doet de pup niets anders dan groeien, slapen, drinken, wat rond kruipen om de tepel te vinden en zich te ontlasten. De moeder masseert door likken de buikjes van de pups om het ontlasten te bevorderen. Om warm te blijven kruipen ze dicht tegen elkaar aan (het zogenaamde contact-liggen). Er is verder nog geen sociaal contact tussen de pups onderling. De pup is bij de geboorte nog niet af; de hersenen zijn nog niet helemaal ontwikkeld, de oogjes en de oortjes zijn nog dicht, hij ziet en hoort niets. De pup kent in deze periode ook nog geen angst.

 

Reuk, tast- en temperatuurzintuigen werken al wel, daarom is het belangrijk de pup iedere dag in de handen te nemen om hem vertrouwd te maken met de menselijke geur. Verder kan hij ook piepen. Als hij te ver van zijn nestgenoten is verwijderd, hun lichaamswarmte niet meer voelt, piept hij erbarmelijk, waarop zijn moeder direct reageert, hem oppakt en weer terug brengt. Ongeveer de 12e of 13e dag gaan de oogjes open, de pup kan echter pas rond de 18e dag zien. Omstreeks die tijd gaan ook de oortjes open en het reukvermogen ontwikkeld zich verder.

 


2. Overgangsfase (2-3 weken)

 

De pup ontwikkelt zich nu snel, met het ontwikkelen van de hersenen en vanaf het moment dat hij ziet en hoort, begint hij op zijn omgeving te reageren. Hij kan nu ook op zijn pootjes staan en lopen. Vanaf de 20e dag komen de tandjes door.

 


3. Primaire socialisatiefase (einde derde week tot ongeveer 12 weken).

 

Een zeer belangrijke periode in het leven van de hond, waarin hij allerlei ervaringen opdoet, maar dit ook op moet doen omdat dit van groot belang is voor zijn gedrag op latere leeftijd. In deze periode leert wie en wat hij zelf is en wie zijn soortgenoten zijn. Hij bindt zich als het ware aan deze wezens en zal daar later normaal mee omgaan en ze bijvoorbeeld niet als prooi beschouwen. De vierde t/m de zevende week wordt door sommige wetenschappers ook wel inprentingfase genoemd, andere denken dat de inprenting maar een paar dagen duurt. Het is in ieder geval, een gevoelige periode waarin de pup vooral vertrouwt raakt met zijn directe leefsituatie. In deze, maar zeker ook in de tweede fase die van 7 tot ongeveer 12 weken duurt, is de pup zeer ontvankelijk voor nieuwe indrukken.

 

Hij zal dan ook veel contact met mensen moeten krijgen, zodat hij de geur van mensen goed in zich op kan nemen om ze ook als soortgenoot te leren kennen.

 

Het is gebleken dat in deze periode alle indrukken die de pups opdoen in het geheugen wordt opgeslagen, het kan later moeilijk worden ingehaald. Puppies worden dus in contact gebracht met verschillende mensen; kleine, grote, oude, jonge, met bril, gekleurde, blanke met een stok. Kinderen worden door hun gedrag als andere wezens beschouwd dan volwassenen, het is noodzakelijk dat hij daarom met zowel drukke, als rustige kinderen in aanraking komt. Maar ook met verschillend uitziende hinden, andere dieren, dingen en allerlei geluiden, zoals van de stofzuiger, telefoon, bel, vallende voorwerpen, piepgeluidjes, knalletjes en dergelijke. Omdat de pups in deze periode zo leergierig en nieuwsgierig zijn proberen ze van alles en nog wat uit, ze onderzoeken alles en op bijna alles wordt gekauwd. Ze besnuffelen elkaar, maar ook de omgeving, waardoor ze deze leren kennen. Er wordt veel gespeeld met de nestgenootjes; het prooibesluipen, doodschudden, rangorde spelletjes, paringsgedrag. Ze leren bovendien de grenzen van het spel kennen en leren iets over de kracht van hun eigen kaken. Alles wordt spelenderwijs geoefend en geleerd in deze periode. Alle beleefde ervaringen worden op latere leeftijd als doodgewoon beschouwd.

 

Pups die in deze fase geïsoleerd opgroeien, geen of weinig contact met andere honden hebben gehad, zullen later altijd problemen hebben om in andere honden soortgenoten te zien. Ze vinden ze eng en weten niet wat er mee te doen, ze zullen zich ten opzichte van hen asociaal gedragen. Puppies, die geen of heel weinig ervaring met mensen hebben opgedaan, zullen daarentegen bang zijn voor mensen, omdat ze niet hebben geleerd dat deze, misschien wat vreemde, maar toch ook soortgenoten zijn.

 

Omdat een groot deel van de primaire socialisatie bij de fokker wordt doorgebracht is deze mede verantwoordelijk voor deze periode. Er zijn gelukkig veel goede fokkers. Helaas is nog lang niet iedere fokker zich deze verantwoording bewust of het interesseert hem niet, als hij maar verkoopt (broodfokkers en de zogenaamde puppyfarms, die hele nesten opkopen, vaak veel te jong; leeftijd, ras of rasloos, het maakt niet uit). Tussen 3 en 5 weken gaat de pup overal frank en vrij op af zonder angst voor mensen, dieren en dingen. Na ongeveer 5 weken reageert hij voor het eerst met angstreacties, hij herstelt zich echter vrij snel. Later zal dit  herstellen steeds langer duren. Als de pup zeven weken oud is, is het toenaderingsgedrag en het vluchtgedrag in evenwicht, daarna neemt het toenaderingsgedrag af en het vluchtgedrag toe. Rond  week 12 is dit proces voltooid en vanaf die tijd zal de pup onbekende en nieuwe zaken met terughoudendheid onderzoeken. U begrijpt dat als de pup geïsoleerd is opgegroeid en hij pas na de 12e week naar een nieuwe eigenaar gaat, deze pup overal bang voor is, zo niet in paniek raakt.

 

De pups worden intussen onafhankelijker van hun moeder en zijn nu goed in staat vast voedsel te eten en zullen nauwelijks nog bij de moeder drinken. Voor de meeste rassen is de 7e of 8e week de beste tijd om naar hun nieuwe tehuis te gaan.

 

Het is nu de taak van de nieuwe baas de pup overal mee naar toe te nemen waar hij in zijn latere leven ook mee te maken krijgt. Des te meer de pup in aanraking komt met dingen en situaties in deze periode, des te beter zal hij zich later kunnen handhaven in onze mensenmaatschappij. In de nieuwe omgeving moet er ook weer met van alles en nog wat worden kennis gemaakt: andere honden, stofzuigers, auto’s, fietsen, treinen, bussen, eenden, kippen, katten, schapen, paraplu’s, grote vrachtwagens vuilnisbakken enz. Allerlei soorten kinderen, het borstelen van de vacht, op tafel zetten, markt, winkelcentrum en wat in uw situatie allemaal belangrijk is. Het traplopen mag op deze leeftijd nog niet, in verband met beschadigingen aan de spieren, pezen en gewrichten, hij moet eerst uitgeroeid zijn.

 

In de hoop dat het later geen probleem wordt (trap niet op durven), gaat hij in deze periode, onder begeleiding 1x de trap op en af. Het hoeft allemaal maar kort te duren en elke dag weer anders. De pup moet nog veel slapen in deze periode.

 

Het opdoen van al die indrukken is zeer vermoeiend en hij moet deze rustig kunnen verwerken. Het uitgaan per keer duurt niet langer dan 5 minuten per levensmaand.

 

Is de pup 4 maanden oud, dan gaat hij 5x4= 20 minuutjes uit. De pup kan nu ook worden geleerd in huis zindelijk te zijn en waar hij wel en niet op mag kauwen. Spelenderwijs worden hem de basisoefeningen aangeleerd; zitten, liggen, komen, ergens even blijven en het meelopen zonder trekken en er word veel met de pup gespeeld. Hij moet ook leren niet bang te zijn voor normale dingen. Schrikt de pup leidt hem dan af met wat lekkers of een speeltje en neem hem mee naar dat gekke ding om te laten zien dat er niets aan de hand is. Het is uitermate belangrijk om de pup niet te troosten als hij schrikt, hij zal de troostende woorden en uw aaien als een beloning zien voor zijn schrik en zal de volgende keer nog meer schrikken en bang zijn. U hebt hem immers geleerd dat het echt heel eng is! Tussen de 8 en 10 weken oud beleeft de pup een periode van emotionele instabiliteit, waarin gemakkelijk angstindrukken worden gevormd.

 


4. Secondaire socialisatiefase (12e week t/m de 6e maand).

 

Een periode die belangrijk is voor de relatie in de toekomst tussen de hond en zijn roedel / gezinsleden. Als het goed is kent de hond zijn plaatst in de roedel (het gezin). Als hij voldoende leiding krijgt is hij vrolijk en tevreden, er heerst rust in de roedel en de jonge hond voelt zich veilig. De hond wordt echter ook ondernemender, verlegt zo nu en dan zijn grenzen en probeert zijn roedelgenoten uit om te zien hoe ver hij kan gaan. Hij komt niet meer direct als hij geroepen wordt, hij voelt zich niet meer geroepen een bepaalde oefening uit te voeren, kan eens gaan grommen als iemand in de buurt van zijn volle etensbak of bot komt, gromt of probeert weg te lopen als het borstelen te lang duurt naar zijn zin. Het is in deze periode belangrijk dat u consequent blijft. Regels zijn regels en daar heeft de hond zich maar aan te houden. En er is er maar één die gromt en dat is de baas en dat bent u. Er zijn pups, die als ze dan gestraft worden, vreselijk te keer gaan en piepen alsof ze worden doodgemaakt. Hier moet u zich niets van aantrekken, want hij probeert indruk op u te maken om u met straffen te laten stoppen. Als dit lukt dan hebt u verloren en kan hij zijn gang gaan met u verder uit te proberen. Nee, zijn plaats is de laatste in de rangorde en zo moet dat blijven. Als u al een goede verstandhouding met de pup had in de vorige fase, zal het - u uitdagen - snel afgelopen zij of helemaal niet voorkomen. In deze periode is het uitermate belangrijk om door te gaan met de socialisatie anders raakt de hond gedesocialiseerd. Als zij dan buiten hun eigen, vertrouwde omgeving zijn gedragen zij zich alsnog a-sociaal of angstig.

 


5. Puberteit (ongeveer 6 maanden).

 

Vanaf ongeveer de 6e maand breekt de puberteit aan, bij de een treedt het eerder op dan bij de ander. De ene hond vertoont ook meer pubergedrag dan de ander. De touwtjes worden, indien nodig, wat meer aangetrokken en we accepteren geen gedrag wat niet door de beugel kan. De teefjes worden vroeger of later in deze periode loops en de reutjes gaan hun poot optillen en plassen meestal niet meer in een keer hun blaas leeg. Ze beginnen te markeren, dat wil zeggen dat ze hun plas verdelen in vele kleine plasjes om te laten zien: hier ben ik. Onder invloed van hormonen zou de reu ook dominantie problemen kunnen gaan vertonen, soms agressief gedrag vertonen. De eerste loopsheid kan bij sommige teefjes ook verandering van gedrag veroorzaken. Zij weet zich vaak geen raad met de belangstelling die de reuen voor haar tonen. Een goede begeleiding door de baas kan in de fase veel problemen voorkomen. Vanaf ongeveer de 10e maand heeft de hond zijn schofthoogte bereikt. Hoe groter het ras, hoe langer hij er meestal over doet om uit te groeien. Totdat de hond volwassen is moet rekening worden gehouden met zijn lichamelijke ontwikkeling. Om blijvende schade te voorkomen mag de hond, zolang hij nog in de groei is, niet worden blootgesteld aan te grote lichamelijke inspanningen. Als de rangorde nu niet goed is bepaald doet hij vaak instinctmatig op de leeftijd van 2 á 2½ jaar weer een greep naar de macht, zeker als hij voor die tijd geen leiding heeft gekregen. Hij beseft nu dat de groep een duidelijke leider nodig heeft om te kunnen overleven (aangeboren gedrag). Gelukkig weet u intussen beter en uw hond voelt zich veilig en vrolijk onder uw leiding.

 


6. Volwassenfase.

 

Honden die verrijkt zijn opgegroeid hebben het gemakkelijker dan honden die weinig of niets hebben meegemaakt. Ook in deze periode kan men echter de hond nog veel aan en afleren als dit op de juiste manier wordt aangepakt.

 


7. Ouderdomsfase.

 

Grote honden zijn meestal eerder oud dan de wat kleinere honden, alhoewel er veel individuele verschillen zijn. Door de lichamelijke gebreken, zoals slecht kunnen zien of doofheid kunnen gedragsveranderingen ontstaan. Door allerlei andere problemen kan de hond zich stijver gaan voortbewegen, hij slaapt ook meer. Het is belangrijk om de hond, aangepast aan zijn toestand, zo lang mogelijk geestelijk als wel lichamelijk actief te houden. Met geduld en liefde is ook de oudere hond nog in staat om iets te leren al zal dat niet meer zo snel gaan als vroeger.

 

 

Honden beleven de omgeving anders dan mensen.

 

Het belangrijkste zintuig van de hond is gezeteld in zijn neus, zijn reukvermogen is niet te vergelijken met dat van de mens. Ook zijn gehoor is veel beter ontwikkeld en zijn gezichtsvermogen is anders dan van de mens.

 


Geur (communicatie).

 

Het hoogst ontwikkelde zintuig bij de hond is de reuk. Ter vergelijking met de mens: een mens heeft 5 miljoen reukcellen en de wolf 200 miljoen. Daarom zullen wolven en honden hun omgeving en nieuwe voorwerpen altijd uitgebreid besnuffelen, ook elkaar. De non-verbale (zonder woorden) communicatie onder honden gebeurt voornamelijk via feromonen (geurstoffen via klieren uitgescheiden). Feromonen zijn aanwezig in speeksel, ontlasting urine, slijm van de vagina, vocht van de anaalzakklieren en andere klieren.

 

Ontlasting van andere honden is voor de snuffelende hond hetzelfde als een visitekaartje voor de mens, iedere hond heeft zijn eigen individuele geur. Ze geven dus informatie aan de hond over de naam (Jansen, hond van de buren) en de rang (Jansen is er, dus dat wordt oppassen geblazen of hé, Piet van de overkant loopt hier ook ergens rond, leuk!). Het ruiken aan de achterhand van een andere hond is te vergelijken met het handen schudden van de mensen. Zeer onderdanige honden proberen de geur weg te nemen door de staart tussen de poten te drukken ( ik stel niks voor, hoor), in tegenstelling tot dominante of zelfbewuste honden die de staart juist omhoog houden.

 

Urine bevat sex-hormonen en geeft informatie of de teef loops is en over de autoriteit van de reu. Als je dus veel informatie over je zelf wilt geven als reu, til je bij het urineren je poot zo hoog mogelijk op, het liefst op neushoogte van de andere honden en bovendien doe je dat dan heel vaak, net zolang tot er geen druppel urine meer uit te persen valt. Een andere hond plast daar vaak weer over heen. Dat heeft te maken met de rang van de hond, zoiets van “wat verbeeld je je wel, ik ben hier de baas, dus mijn geur voort de boventoon”. Door te krabben met de poten over de aarde wordt nog meer geur verspreid. Soms zou het ergens plassen ook een geruststellende werking kunnen uitoefenen om in een bepaalde situatie de eigen vertrouwde geur te ruiken ( in de wachtkamer bij de dierenarts, op visite of misschien de geur van de nieuwe baby).

 

Honden begroeten elkaar meestal door uitgebreid de achterkant van de ander te besnuffelen, na eerst even aan de snuit gesnuffeld te hebben. Het duwen van de neus tegen de ander (neusduwen) is een teken van onderwerping, dit gaat samen met een lage houding. Ook het likken, gericht op de mondhoeken van de andere hond is onderdeel van onderdanig gedrag, hierbij wordt meestal hevig gekwispeld.

 


Gehoor.

 

Het gehoor is ook al veel beter ontwikkeld dan bij de mensen. Honden kunnen zachtere geluiden waarnemen, maar ook veel hogere tonen ontvangen. Een mensenoor kan geluiden tot ongeveer 20.000 Hertz per seconde waarnemen, een hond minstens 35.000 Hz per seconde. Op dit principe is de voor ons onhoorbare hondenfluit gebaseerd. Honden kunnen bovendien met hun bewegelijke oren geluiden veel beter lokaliseren dan mensen. De al dan niet grote oorschelpen bepalen waar het geluid vandaan komt (oren spitsen), tevens fungeren zij als een soort klankbord, waardoor het geluid nog wordt versterkt. De hond hoort leden van de familie thuiskomen, lang voordat wij dit horen. Hieruit volgt ook dat het dus niet nodig is tegen de hond te schreeuwen om hem iets duidelijk te maken.

 


Gezicht.

 

Het gezichtsvermogen van de hond is, in tegenstelling tot het gehoor en de reuk, niet beter of slechter dan de mens, maar het is anders. Zowel op het netvlies van de hond als op het netvlies van de mens bevinden zich twee soorten lichtgevoelige cellen: egeltjes en staafjes. De kegeltjes zijn weinig lichtgevoelig, maar maken scherp zien en het zien van kleuren mogelijk. Bij de mens bevinden zij zich aan de randen van het netvlies, bij de hond  zijn ze verspreid over het gehele netvlies. Een hond heeft meer staafjes en de mens meer kegeltjes. Kegeltjes werken het beste in daglicht en staafjes in de schemering en als het donker is. Een hond ziet dus beter in donker dan de mens; dit wordt bovendien versterkt door de aanwezigheid van een lichtweerkaatsende pigmentlaag (tapetum lucidum) tussen het netvlies en het vaatvlies. Dit veroorzaakt ook het oplichten van de ogen als het donker invalt.

 

De hond ziet overdag op afstand minder goed dan de mens, speciaal wat stilstaande beelden betreft. Een bewegend beeld vangt hij wel goed op. Een hond kan enthousiast op iemand afrennen, denkende dat het de baas is om dan te merken, als hij vlakbij is, dat hij een vergissing heeft gemaakt. Als hij wordt geroepen of de baas zwaait met zijn armen dan zal hij deze fout niet maken. Belangrijk is dat de geleider van hondenrassen, waarbij het haar voor de ogen hangt, er voor zorgt dat dit haar met een speldje bij elkaar wordt gehouden.

 

Het door de haren niet goed kunnen zien veroorzaakt veel probleemgedrag en ellende voor de hond. Lang heeft men gedacht dat de hond geen kleuren zou kunnen zien, uit onderzoek is echter gebleken dat de hond bepaalde kleuren wel ziet.

 


Communicatie door middel van geluid, lichaamstaal, stand van de oren en staart, mimiek en het opzetten van de haren.

 

Geluid.

 

Niet allen door middel van geur, ook door middel van geluid communiceren honden met elkaar. Wanneer u luistert naar de hond is er een duidelijk verschil te horen wanneer een hond blaft om een andere hond uit te dagen tot spel of wanneer hij blaft uit angst. Het piepen van de hond die zich overgeeft klinkt anders dan de piep van pijn of wanneer hij piept uit opwinding, bijvoorbeeld tijdens de autorit, omdat hij een fijne wandeling verwacht. Het grommen van een dominant agressieve hond klinkt veel dieper en zwaarder dan het grommen van een angstig agressieve hond.

 

Een bepaald geluid of het gehuil van een andere hond kan sommige honden stimuleren om mee te huilen, het zo genaamde koorhuilen. Verder roepen honden, die niet goed hebben geleerd om enige tijd alleen te blijven, door middel van janken, huilen en blaffen, de roedel: “ik ben hier, waar ben jij”!?.

 


Lichaamshouding, oren, staart, mimiek en het opzetten van de haren.

 

Natuurlijk heeft de mens door selectieve fokkerij het voor zijn eigensoortgenoten, maar ook voor honden onderling, er niet gemakkelijker opgemaakt. De taal van de hond is de taal van de wolf; deze hebben echter allemaal staande oren, een staart en zijn ongeveer even groot.

 

Tussen de hondenrassen onderling zijn grote verschillen. We hoeven alleen maar te denken aan de Ierse Wolfshond (de grootste, meestal hoger dan 80 cm) en de Chihuahua ( de kleinste, ongeveer 18 cm), met daartussenin allerlei honden met verschillende hoogten en lengtes. Verder zijn er honden met allerlei soorten vachten, oren en staarten of geen staarten. Een beetje hond zou er tureluurs van worden.  Een kleine terriër met vaak een redelijk fel karakter (dit in verband met het werk wat hij in het verleden deed en nog steeds doet) voelt zich net zoveel hond als die grote Rottweiler, die hij tegenkomt. Besef van groot en klein schijnen honden niet te hebben. Uitzonderingen daargelaten kunnen hinden toch goed met elkaar communiceren. Ze gebruiken hun oren, lippen, snuit, gezicht, staart, ogen en lichaam op zo’n specifieke manier dat dit door een andere hond wordt verstaan. Deze lichaamstaal is zeer gevarieerd; als u deze taal ook wilt verstaan, is het belangrijk dat er op de hele hond wordt gelet en niet op een enkel onderdeel.

 

De lichaamshoudingen zijn in drie groepen te verdelen, namelijk: neutrale houding, hoge houding  en lage houding.

 

·      De neutrale houding wordt gekenmerkt door een voor het ras normale, ontspannen stand van de romp, kop, poten, oren en staart. De Beagle bijvoorbeeld houdt hierbij de staart hoog, dit duidt dus niet op dominant gedrag.

 

·      Een hoge houding (rechte rug, hoog op de poten, omhoog gerichte kop) met de staart hoog en de oren naar voren, betekent dat de hond zich ten opzichte van de ander superieur voelt. Heeft de andere hond dezelfde houding, dan zou er gevochten kunnen worden. Tenzij u een goede roedelleider bent en er vanuit gaat ”als er gevochten moet worden dan ben ik dat en niet jij”. Dus “kom op, doorlopen” en u loopt door. Als uw hond er alleen voor staat, heeft hij veel minder de neiging om het tot een vechtpartij te laten komen; bovendien geeft u als leider aan dat u het niet wilt hebben.

 

·      Een lage houding is te zien als de andere hond een ondergeschikte positie inneemt, zich wat kleiner maakt (gekromde rug, omlaag gehouden kop, geknikte poten), de oren naar achteren houdt en de staart iets naar beneden, dan geeft hij aan dat hij de hogere rang van de ander erkent. De verhoudingen zijn duidelijk, ze negeren elkaar verder, soms gaan ze spelen. Als de hond zo’n positie ten opzichte van de geleider aanneemt erkent hij deze ook als de baas. Deze hond is niet bang voor de baas zoals zo vaak wordt gedacht.

 

·      Als de hond de oren ver naar achteren houdt en de staart is weggedrukt tussen de poten tegen de buik aan dan is hij bang. Als deze hond niet kan vluchten zou hij kunnen bijten uit angst.

 

·      De dominante hond met de mondhoeken naar voren, zodat alleen de voortanden worden ontbloot, met de ogen fixerend, de neus gerimpeld, de oren naar voren  en een diep gegrom, is onbevreesd. Hij zal hoog aanvallen en de tanden stevig in de ander zetten (dominante agressie).

 

·      De angstige hond trekt zijn mondhoeken juist helemaal naar achteren zodat hij zowel zijn voor-als zijtanden laat zien, ook de neus is gerimpeld, maar meer in de lengte en de oren zijn ver naar achteren getrokken. Hij laat het wit van zijn ogen zien en zijn gegrom klinkt lichter dan bij de dominante hond (deze hond toont angst agressie). Bij meer dreiging en geen vluchtweg zal hij uitvallen, meestal met korte, felle bijtbewegingen, hij bijt van zich af. Hij pakt het eerste het beste waar hij bij kan, bijt en laat weer los. Als hij de kans krijgt om te vluchten dan zal hij dat liever doen. Tenzij hij geleerd heeft dat zijn aanval  altijd succes heeft: dan werkt het als zelfbelonend gedrag en zal hij steeds meer aanvallen dan vluchten.

 

                                                                                          

 

·      Op de rug liggen is een overgave gebaar, alle kwetsbare delen worden ontbloot, eventueel wordt hierbij wat urine geproduceerd (deemoedplasje). Deze houding roept bij een andere hond een bijtrem op, ook al zou hij willen bijten, hij kan het niet meer. Natuurlijk is na een gevecht de agressie niet in een keer weg, de overwinnaar staat nog gevaarlijk over de verliezer te grommen. Als de hond, die zich overgeeft, niet stil blijft liggen kan hij hem opnieuw tot de orde roepen. Blijft hij wel doodstil liggen, dan ebt de agressie langzaam weg, met stijve poten en in een hoge houding loopt de overwinnaar langzaam weg en doet nog een plasje ten teken dat hij toch echt de baas is.

 

·      Oogcontact is ook heel belangrijk. Dominante honden zullen naar andere honden staren (fixeren) terwijl onderdanige hondenjuist de blik afwenden. Veel gevechten beginnen  doordat de honden oogcontact zoeken. Door de aandacht van uw hond op te eisen wanneer u een gevecht verwacht, kan in veel gevallen een gevecht worden voorkomen.

 

·      Het opzetten van de haren (borstelen) komt zowel bij angst (meteen lage houding) als bij dominant gedrag (met een hoge houding) voor, soms ook bij spel.

 

·      Het uitnodigen tot spel is vaak te zien aan het door de voorpoten zakken van de hond. Een andere uiting is het heen en weer gaan rennen voor de andere hond.

 


Hoe honden leren.

 

 

Honden kunnen op twee manieren worden geconditioneerd om nieuw gedrag aan te leren.

 

 

Via het onvrijwillig leren : hierbij wordt een eerste, neutrale prikkel gekoppeld aan een tweede prikkel, zodat ze uiteindelijk dezelfde prikkel waarde krijgen. De Russische gedragonderzoeker Pavlov heeft de basis gelegd voor deze leermethode.

 


Via het vrijwillig leren:
 deze manier van leren is geheel gebaseerd op het belonen van gewenst gedrag en het bestraffen van ongewenst gedrag. De Amerikaanse psycholoog Skinner heeft de grondslag gelegd voor deze manier van leren. Hierbij gaat men er vanuit dat gedrag, dat gekoppeld is aan positieve gevoelens steedsmeer zal voorkomen. Gedrag, dat gekoppeld is aan negatieve gevoelens zal steeds minder voorkomen.

 


Onvrijwillig leren.

 

Als u de hond wilt leren zitten zegt het woord ”zit” (eerste prikkel) hem helemaal niets; hij begrijpt niet wat er van hem wordt verwacht. Als u echter “zit” zegt en direct aansluitend op zijn achterwerk duwt (tweede prikkel); zal de hond, na enige tijd, door hebben wat de bedoeling is. De eerste prikkel ( het woord “zit”)  krijgt de zelfde waarde als de tweede prikkel, het duwtje. Uit onderzoek is gebleken dat het belangrijk is dat prikkel 1 vlak voor prikkel 2 wordt gegeven, anders werkt het niet goed. Na verloop van tijd wordt er een blijvende combinatie gemaakt en gaat de hond bij het commando “zit” ook zitten. Een hond is een gewoontedier. Door een bepaalde oefening steeds maar weer te herhalen wordt het uiteindelijk ( bij dagelijks oefenen, na ongeveer zes weken) een automatisme.

 

Als het zover is zakt hij, zonder hulp of beloning bijna vanzelf door zijn poten om op zijn kont te gaan zitten na het commando “zit”. Het duwtje op het achterwerk wordt door de hond vaak als negatief ervaren, tegenwoordig leren we de hond op positieve wijze de zitoefening aan. We laten hem bij het aanleren op een bepaalde wijze achter een brokje (een speeltje) aangaan om hem te laten zitten.

 

Het vrijwillig leren.

 

Als de baas ziet dat de hond van plan is om te gaan zitten, geeft hij hem snel het commando “zit”, en op hetzelfde moment dat zijn kontje de grond raakt, wordt hij beloont met zowel een brokje als met de stem “braaaaaaf”. Dit geeft hem een prettig gevoel. Als dit enige tijd wordt herhaald, dan kan de baas met het commando “zit” beginnen, want hij weet intussen dat dit een leuke oefening is en dat het een prettig gevoel oplevert. Beloon wel altijd samen met de stem, deze krijgt dan dezelfde beloningswaarde als het brokje (onvrijwillig leren).

 

In het begin (leerfase) wordt de hond iedere keer na de uitvoering van een nieuwe oefening beloond. Voert hij de oefening steeds perfect uit (beheersingsfase), dan wordt hij, na verloop van tijd, variabel beloond om de spanning erin te houden. Uit onderzoek is gebleken dat, als de hond een oefening goed kent, de beloning meer waarde heeft als hij hem af en toe krijgt toegediend, dan iedere keer, na uitgevoerd gedrag. In de praktijk wordt een bepaalde oefening met hulp (achter het brokje of speeltje aangaan) en daarna volgt de beloning (prettig gevoel). Door beide leerprincipes te combineren leert de hond nog sneller.

 

 

Aandacht van de hond voor de baas is natuurlijk heel belangrijk als deze hem een bepaalde oefening wil aanleren. Zonder aandacht is de hond met zijn eigen zaken bezig en niet bereikbaar voor de mens.

 

Ongewenst gedrag wordt gecombineerd met een onprettig gevoel, bijvoorbeeld door hem te laten schrikken. Als hij in de kamer bezig is een plant uit de plantenbak te trekken, gooit u iets naar hem toe wat lawaai maakt en hij zal enorm schrikken (onplezierig gevoel). Hij heeft bovendien het idee dat hij terplekke door de plant zelf wordt gestraft. Als u, als leider, deze schrik bevestigt door hem te troosten, weet hij zeker dat het een enge rotplant is. Deze schrik mag u bevestigen door hem te troosten, omdat het in uw voordeel werkt, u wilt de hond dit gedrag afleren. Een plant meer of minder in de kamer maakt voor de hond niet veel uit, maar voor u wel. Soms is één keer gooien genoeg, soms moet dit nog één of twee keer worden herhaald, dat hangt van de motivatie van de hond af en de mate van schrik, die hij beleeft. Heeft hij af en toe succes, dan zal hij het blijven doen (variabele beloning).

 

Wat heel belangrijk is, is het moment van belonen en straffen. Komt de beloning of straf iets te vroeg of te laat, dan wordt het verkeerde gedrag bekrachtigd. Beloning en straf moeten binnen een halve seconde na uitgevoerd gedrag volgen, dus bijna gelijktijdig. Net als bij onvrijwillig leren geldt, dat een sterke beloning beter werkt dan een zwakke en een zware straf (de gevoeligheid van de hond in aanmerking genomen) veel meer effect heeft dan een zacht “foei”.

 

Het aanleren van een gedrag kan de hond ook zelf doen door het nabootsen (imiteren) van andere, meestal ranghogere honden. Dit kan zowel negatief als positief uitvallen. Jonge honden, die bij een schaapskudde worden gebruikt leren veel van de al ervaren, oudere honden.  Een negatieve vorm komt voor als de moederhond angstig of nerveus is en de puppies dit gedrag overnemen. Een reden te meer om niet met angstige honden te fokken.

 

Verder krijgt u door spel een goed contact met de hond, spelenderwijs kunt u hem leren: omdat het leuk is zal hij ook beter onthouden.

 

De hond leert ook door stemmingsoverdracht, het opgewonden of bang zijn van de baas merkt de hond op en het wordt overgenomen (baas is bijv. bang voor een bepaalde hond, bang voor onweer).

 

 

Hulpmiddelen bij het opvoeden van de hond.

 

Een belangrijk hulpmiddel bij de opvoeding van de hond is uw stem. Een lage neutrale stem is voor de hond niet interessant, varieer dus zo veel mogelijk in toonhoogte (hoog, laag, hard, fel, zacht en fluisterend), in ieder geval met veel intonatieverschil tussen maximale motivatie en demotivatie. Schreeuwen is niet nodig; corrigeert u de hond, dan klinkt uw stem boos, een “foei” op vriendelijke toon uitgesproken heeft geen effect of juist het tegenovergestelde. Een “braaf” moet juist enthousiast klinken. Uw enthousiasme werkt aanstekelijk, de hond gaat het steeds leuker vinden om iets voor u te doen. De hond leert bovendien al snel dat  “braaf” veel prettiger voor hem is dan “foei”. Tegenwoordig gaat men er vanuit dat het “ja-braaf” hondje sneller leert dan het “nee-foei” hondje. Dit bereikt men door goed gedrag zo veel mogelijk en gemotiveerd te belonen en niet gewenst gedrag zoveel mogelijk zien te voorkomen.

 

Uw houding is ook van groot belang. Als u zich groot maakt, dus rechtop blijft staan, zal de hond eerder een commando opvolgen. Een bange hond, die niet durft te komen als hij wordt geroepen, zal daarentegen eerder komen als u zich wat kleiner maakt. Over de hond heen hangen kan de hond als bedreigend ervaren.

 

 

Het speeltje.

 

Een hond kan meerdere speeltjes hebben, maar het speeltje dat hij het allerleukste vindt, gaat een speciaal speeltje worden. Dat wordt namelijk het speeltje van de baas en daar mag hij niet meer allen mee spelen. Het moet wel een speeltje zijn dat u beiden kunt vast houden (een touwballetje of een balletje in een sok geknoopt) en zo klein dat het bij de opgeboste riem in de hand verstopt kan worden en gemakkelijk uit de zak kan worden gehaald. Het is namelijk bedoeld voor het spelen aan de lijn. Door de lijn is het spel gecontroleerd, het dwingt de hond tot aandacht voor de degene die met hem speelt, het is bovendien rangorde bevestigend. Belangrijk is dat zowel baas als hond plezier beleven aan het spel. Door achteruit te lopen nodigt de baas de hond uit tot spel en hij maakt het speeltje heel spannend.

 

Voor de wandeling is een tennisballetje heel handig. U maakt dit balletje heel erg interessant en gebruikt het alleen buiten, als u samen speelt met de hond.

 

Denk erom het balletje is niet glad en moet zo groot zijn dat de hond het niet kan doorslikken. Thuis ligt het in de kast, daar krijgt de hond zijn botten, touw of andere kauwdingen. Met zo’n balletje kunt u heel wat problemen voorkomen. U kunt uw hond onder andere leren niet achter paarden, trimmers of fietsers aan te gaan; die zijn taboe, maar zijn bal niet. Ziet u dat hij van plan is achter een trimmer aan te gaan, dan hoort hij: “nee” en direct daarop: “kijk is” en de bal wordt in een andere richting weggegooid. Gaat hij er achteraan dan is hij “braaf”; brengt hij hem dan ook nog terug, dan is hij extra braaf. 

 


Heel gevaarlijk is het om de hond achter een stok aan te laten rennen. 
Deze kan rechtop in de grond blijven staan, uw hond kan vaak niet vlug genoeg remmen en krijgt het uiteinde van de stok in zijn keel met alle gevolgen van dien. Ook splinters kunnen in zijn darmen komen vast te zitten, die er alleen via een operatie uitgehaald kunnen worden.

 

Bovendien kan de schouderpartij beschadigd raken omdat hij altijd plotseling moet remmen als hij de stok wil pakken, want deze rolt niet door. Het balletje rolt wel door nadat het de grond heeft geraakt, dus hij heeft veel meer tijd om te remmen.

 


Een brokje.

 

Een speciaal stukje hondenworst, gekookte runder- of kippenlever, een heel lekker brokje. Het liefst een heel klein stukje, het moet hap/slik weg zijn.

 


De handen.

 

Er zijn wetenschappers, die zeggen dat de hond de mens ziet als een super-hond met drie koppen. De handen fungeren dan als extra koppen, wij doen met de handen wat de hond met de bek doet. Wij aaien/ verzorgen de hond namelijk met de handen, de hond likt zichzelf of een roedelgenoot met de tong. De hond bijt met zijn bek, wij doen het met de handen, als we hem eens een keer flink beet pakken (bijten) om enige dingen met hem af te spreken.

 

Hieruit volgt dat wij de hond ook de handen kunnen aanbieden om te likken bij het begroeten, in plaats van het likken aan het gezicht (snuit) toe te staan. Verder kunnen de handen dienst doen om hem attent te maken: knippen met de vingers, klappen in de handen om hem enthousiast te maken of tikjes tegen het dijbeen om hem mooi mee te laten lopen.

 


Riem en halsband.

 

Middelen om zowel de aandacht van de hond te krijgen als om hem te corrigeren.

 


Hoe U nooit mag straffen.

 

·      Doorgaan met straffen als de hond zich overgeeft.

 

·      Achteraf straffen.

 

·      Straffen op zijn plaats.

 

·      Voor straf naar zijn plaats sturen.

 

Straf moet doorkomen, maar moet de hond niet bang maken voor degene die hem straft.

 

Op het moment dat een hond zich overgeeft, stil op rug ligt, soms piept en urine produceert, krijgt de straffende of winnende hond een bijtrem, hij stopt met bijten, hijkan ook niet meer bijten. Mensen kennen geen bijtrem, als ze doorgaan met straffen denkt de onderliggende hond dat hij wordt gedood en zal noodweer-agressie vertonen. Geen hond zal zich zomaar laten doden, het is zeer onhonds gedrag en te vergelijken met dierenmishandeling.

 

Achteraf straffen is een zeer frustrerende maatregel, en heeft geen enkele zin. Straffen moet binnen een halve seconde gebeuren of u straft ander gedrag. Als u thuiskomt en u ziet dat de hond iets heeft vernield en u straft hem terwijl hij blij naar u toekomt rennen, dan straft u het laatste gedrag, het naar u toe komen. De hond zal het niet begrijpen, hij zal gefrustreerd raken. Als dit meerdere keren gebeurt leert de hond wel, gestressed als hij intussen is, dat als de situatie in de kamer is veranderd en de baas komt thuis dan zwaait er wat. Het lijkt er op dat de hond zich schuldig gedraagt, hij komt niet begroeten, maar blijft, zich klein makend, in de mand. De baas, die dit ziet als schuldig gedrag en hem opnieuw straft, weet niets van hondengedrag. Een hond kan zich niet schuldig voelen, hij is gewoon bang. De hond heeft geen idee waarom hij wordt gestraft en heeft geen idee van waardevol en waardeloos. Een jonge hond, een pup moet niet alleen in een ruimte achterblijven, waar hij in zoveel dingen zijn tanden kan zetten, hij moet eerst leren waarin hij wel en niet mag bijten. Een volwassen hond kan verandering van omgeving of een verandering in de thuissituatie zich niet meer veilig voelen, als hij alleen achterblijft. Hij kan onzeker en angstig zijn en om dat nare gevoel maar niet meer te voelen gat hij wat doen (vernielen).

 

Als de oorzaak wordt aangepakt dan is het vernielen ook over. Het zal echter even duren voordat de hond weer vertrouwen in de baas heeft, want dat is ernstig beschadigd. Onderzoekers hebben zich met dit gedrag bezig gehouden. Het blikt als zij enige veren kussens verknippen en in de kamer strooien waar de hond vertoeft terwijl de baasweg is, dat deze rustig toekijkt en pas angstig gedrag vertoont bij thuis komst van de baas. Hij heeft niets gedaan, doch de situatie was anders geworden en hij verwacht dus gestraft te worden.

 

Zijn plaats is zijn veilige plek, daar wordt hij niet gestraft en ook niet voor straf naar toegestuurd.

 

Een hond heeft recht op een goede consequente opvoeding, een rechtvaardige baas die hij kan vertrouwen. Zo opgevoed zal hij goed functioneren in onze huidige mensen maatschappij en geen negatieve reacties oproepen bij niet-honden bezitters.

 

Men is nog steeds bezig gedrag van honden te  bestuderen, de laatste jaren ontwikkeld het onderzoek zich in snel tempo, ook wat leergedrag betreft.

 

Bedenk;

Een hond is een hond, is een hond, is een wolf, maar geen mens, wel uw beste kameraad.


STARTCONTACT & INFORMATIEAGENDA KC ZEISTNIEUWSVERSLAGEN & UITSLAGENOPVOEDING & GEHOORZAAMHEIDBEHENDIGHEIDFLYBALLWORKSHOPS & CURSUSSENLINKS & WEBLOGSFOTO & FILMDOWNLOADS & LEESHOEKARCHIEVEN