Het betreft hier een vernieuwd programma dat bij de KC Zeist in 2010 van start zal gaan. Het 'oude' GH 2 programma wordt natuurlijk wel getraind en hier kan ook examen in gedaan worden.
INLEIDING
De cursus Gehoorzame Hond (GH) staat voor het aanleren van maatschappelijk aanvaardbaar gedrag van de hond. Het doel van het examen is de hond te testen op sociaal gedrag en eenHet goede opvoeding. De geleider wordt getest op zijn kennis over de juiste wijze van de omgang met een hond. Ook in kritische situaties dient de geleider te weten hoe te reageren op het gedrag van de hond. Overal waar te voor staat is niet acceptabel gedrag. Voor een juiste reactie heeft de geleider behalve praktische kennis ook theoretische kennis nodig. Mocht de hond ongewenst gedrag vertonen, dan moet de geleider hiermee om weten te gaan en laten zien dat hij/zij degene is die de regie in handen heeft en zich consequent gedraagt. Ten slotte moet de geleider zich bewust zijn van en handelen naar zijn maatschappelijke verantwoordelijkheid tegenover zowel de hond als de omgeving. Simpel gesteld de geleider is verantwoordelijk voor het gedrag van de hond, waar dan ook. Het examen is dus een optelsom van het functioneren van geleider en hond en de kennis van de geleider. Het GH is een basis en vormt samen met het GHII een complete opleiding.
ALGEMEEN
Natuurlijk is de hond voor het examen goed uitgelaten. De geleider van de hond dient meerdere poepzakjes op zak te hebben. Op verzoek van de keurmeester kan de geleider op ieder moment een poepzakje tonen. De hond draagt een halsband. De riem moet ”vast” zijn en mag niet flexibel zijn. De geleider volgt tijdens het hele examen de richtlijnen en aanwijzingen van de keurmeester.
VELD
1. Omcirkelen van 4 combinaties. (min. +/-)
De combinaties staan willekeurig opgesteld. De geleider omcirkelt al wandelend met de aangelijnde hond 4 andere combinaties. De hond mag hierbij niet op de andere honden reageren, zowel te sociaal als asociaal.
2. Meelopen. (min. +/-)
Het meelopen wordt gedurende het hele examen beoordeeld, maar specifiek tijdens een parcours van tenminste 90 meter. De geleider dient met de aangelijnde hond een parcours te lopen, wat aangegeven wordt door de keurmeester. (De hond volgt niet, maar wandelt mee.) Het parcours bestaat uit tenminste een linksomkeert, rechtsomkeert en een rechtswending in willekeurige volgorde.De plaats waar de hond loopt is onbelangrijk, zolang de hond de geleider niet hindert. De lijn moet ontspannen zijn. Er mag tegen de hond gepraat worden. De hond mag dus niet constant aan de riem trekken, snuffelen of gecorri geerd wor den. Een paar correcties zijn toegestaan, maar moeten wel effect hebben. Tijdens het meelopen worden ook de oefeningen “zit”, “staan” en “af” getoond, eventueel bij markeringspunten. De hond komt een drietal platte ”borden” met worst, kaas en/of belegd brood tegen.
3. Niet van de grond eten.
Op een drietal platte "borden" op de grond ligt worst, kaas en/of belegd brood. De borden staan op een onderlinge afstand van ongeveer 5 meter. De geleider met de aangelijnde hond loopt tijdens de oefening langs deze borden. De hond moet het voedsel negeren. De geleider mag door middel van aandacht vragen of praten, de hond langs het eten manoeuvreren. De geleider mag de hond elke keer (mondeling = nee) correcties geven, om te voorkomen dat de hond van het voedsel eet. Dit geeft wel een voldoende (+/-).
4. Zit en omcirkelen.
Tijdens het meelopen moet de hond tot "zit" worden gebracht op een van tevoren door de keurmees ter aangegeven plaats. De geleider mag de hond hierbij niet aanraken. Zodra de hond zit, gaat de geleider op riemafstand een rondje om de hond lopen. De riem mag vastgehouden worden. De hond dient te blijven "zitten" tot de geleider op teken van de keurmeester het commando opheft. Om een goed (+) te krijgen, gaat de hond op een mondeling commando zitten en blijft zitten tot de geleider het commando opheft en weer doorloopt.
5. Staan en omcirkelen.
Tijdens het meelopen moet de hond tot "staan" worden gebracht op een van tevoren door de keurmees ter aangegeven plaats. De geleider mag de hond hierbij niet aanraken. Zodra de hond staat, gaat de geleider op riemafstand een rondje om de hond lopen. De riem mag vastgehouden worden. De hond dient te blijven "staan" tot de geleider op teken van de keurmeester het commando opheft. Om een goed (+) te krijgen, gaat de hond op een verbaal commando staan en blijft staan tot de geleider het commando opheft en weer doorloopt.
6. Af en omcirkelen.
Tijdens het meelopen moet de hond tot "af" worden gebracht op een van tevoren door de keurmees ter aangegeven plaats. De geleider mag de hond hierbij niet aanraken. Zodra de hond ligt, gaat de geleider op riemafstand een rondje om de hond lopen. De riem mag vastgehouden worden. De hond dient te blijven "liggen" tot de geleider op teken van de keurmeester het commando opheft. Om een goed (+) te krijgen, gaat de hond op een mondeling commando af en blijft liggen tot de geleider het commando opheft en weer doorloopt.
7. Spel en 10 seconden aandacht. (min. +/-)
De geleider speelt een trekspel met de hond, waarbij geleider en hond samen het speeltje vasthouden. (zie GHI). De geleider houdt met beide handen het speeltje vast en loopt versneld, met heen en weer gaande bewegingen, achteruit. De geleider dient het spel onder contro le te hebben. Op aanwijzing van de keurmeester moet de hond op commando van de geleider het speeltje loslaten. De geleider beweegt dan het speeltje met beide handen omhoog tot minimaal borsthoogte en maakt oogcontact met de hond. De geleider houdt de aandacht van de hond vast. Hierbij mag gesproken worden. Op aanwijzing van de keurmeester gaat de geleider weer met de hond spelen. Om een goed (+) te krijgen, moet de geleider de volle 10 seconden de aandacht van de hond vast kunnen houden. De hond moet rustig zijn en de volle aandacht voor de geleider hebben en houden.
8. Zitten en betasten. (min. +/-)
De aangelijnde hond krijgt de opdracht te gaan zitten. Waar de hond gaat zitten is niet belangrijk. De keurmeester vraagt of de hond betrouwbaar is. Zo niet, dan moet de geleider voor de hond gaan staan en de kop fixeren. Dit gebeurt door de wangen met een hand aan elke zijde van de kop, vast te houden met de ellebogen gestrekt en op slot. De keurmeester betast vervolgens de hond. De oren worden bekeken, de rug en de zijkant (ribbenkast) worden met een lichte druk geaaid, een voorpoot en indien mogelijk de staart opgetild. De hond moet dit rustig ondergaan. De geleider mag altijd de hond geruststellend toespreken.
9. Gebit tonen voorzijde.
De geleider toont de voortanden van het gesloten gebit aan de keurmeester. De geleider mag geruststellend met de hond praten. De hond moet dit rustig toelaten, zonder de kop te schudden of terug te trekken.
STAD
10. Vastleggen en blijven.
De geleider legt de hond vast (bijvoorbeeld aan een paal) en gaat uit zicht gedurende enige tijd (ongeveer 2 minuten). Indien er gebruik gemaakt wordt van een slippende halsband dient deze in de zogenaamde open stand omgedaan te worden. Het vastbinden geschiedt zodanig dat de hond kan gaan staan en liggen zonder verward te raken in de riem. De lijn dient niet strak te staan. Tijdens de oefening passeert een persoon met een rustige hond die niet tot de examengroep behoort, op een afstand van ongeveer 1 meter. Gelijktijdig lopen enige personen zonder hond maar met een boodschappentas op wieltjes en een opgestoken paraplu langs de groep. De hond moet al deze activiteiten in zijn buurt rustig toelaten. De hond mag niet constant piepen of blaffen.
De palen moeten zover uit elkaar staan dat de honden niet bij elkaar kunnen komen. Bij terugkomst kan de geleider de hond meteen losmaken van de paal en aangelijnd houden.
11. Voedsel weigeren. ( min. +/- )
De geleider staat met de aangelijnde hond. Een persoon loopt op de combinatie af. Deze persoon biedt de hond een stuk worst aan. De hond mag de worst niet aanpakken. Het is de geleider toegestaan de hond mondeling te waarschuwen en te corrigeren.
12. Fietsen.
De geleider dient circa 100 m te fietsen met de hond in draf rechts naast de fiets. De hond mag hierbij niet trekken of springen. De lijn dient in de hand te worden gehou den. De lengte van de lijn moet zodanig zijn dat de hond niet voor en niet achter de fiets kan komen. Bij gebruik van een slippende halsband dient deze correct te zijn omgedaan. Het gebruik van een springer is toegestaan mits deze gelijktijdig met de normale lijn wordt gebruikt.
Tegelijkertijd komt uit tegenovergestelde richting een examencombinatie lopend de fietser tegemoet, aan de zijde van de hond. De hond van deze geleider loopt rustig mee. De honden passeren elkaar met ongeveer een twee meter tussenruimte. De honden moeten rustig doorlopen, zonder te reageren. Reageert één van de honden meerdere keren, zowel te sociaal als asociaal, op de andere hond, dan geeft dat een onvoldoende (-) voor oefening 19 gedrag. Alle combinaties worden om de beurt, in willekeurige volgorde, ingezet bij het meelopen langs de fietser.
13. Apporteren.
De staande hond krijgt een voorwerp (een speeltje of apporteervoorwerp) voor de snuit aangeboden en moet dit vastpakken. De geleider mag hiervoor een commando gebruiken. Zodra de hond het voorwerp vast heeft, moet deze op commando gaan zitten. De geleider mag de hond aanraken en begeleiden tot zit, maar mag onderwijl het apporteervoorwerp niet vastpakken. Op aanwijzing van de keurmeester pakt de geleider het voorwerp aan van de hond, met gebruik van een commando.
14. Roepen, 2 honden tegelijk. ( min. +/- )
De groep loopt rond en heen en weer op het midden gedeelte van het veld. Vier honden worden tegelijk losgelaten, zonder onder appel gezet te worden. Eventueel mag de hond door een ander dan de geleider meegelokt worden om de afstand te vergro ten. De geleiders lopen na het vrij geven rustig tussen de andere geleiders naar een hoek van het veld. Op aanwijzing van de keurmees ter, staan de geleiders stil en roepen ieder meteen hun hond. De hond dient vlot te komen om weer te worden aangelijnd. De oefening geschiedt terwijl de overige honden aangelijnd rondlopen. De geleider mag maximaal vier keer roepen of fluiten al of niet ondersteund met gebaren.
15. Vrijgeven en bevriezen.
De geleider geeft de hond vrij en probeert 10 meter afstand te creëren tussen de hond en zichzelf. Op aanwijzing van de keurmeester, geeft de geleider de hond een commando om daar te blijven (bevriezen) waar de hond zich op dat moment bevindt; de houding is onbelangrijk. Bij voorkeur gebeurt het bevriezen in de beweging van de geleider af. De geleider haalt vervolgens de hond op.
RESTAURANT / VISITE
16. Binnenkomen.
Bij het betreden van het restaurant en het verlaten, dient eerst de geleider door de deuropening te gaan. De hond moet op commando wachten, totdat hij met toestemming door de deuropening mag gaan.
17. Plaats leggen en blijven zonder geleider.
De geleider legt de hond op een niet hinderlijke plaats af, daar waar deze gaat zitten voor de theorietoets. Wanneer alle combinaties zitten, gaat om de beurt iedereen iets te drinken halen. Op aanwijzing van de keurmeester staat de geleider op om iets te drinken halen. De hond dient zich rustig te gedragen en op zijn plaats te blijven. Bij terugkomst gaat de geleider op zijn plaats zitten en mag de hond belonen. De hond moet blijven liggen.
18. Plaats houden met afleiding.
Terwijl alle geleiders zitten en de honden liggen, komt een persoon met een aangelijnde hond binnen. Deze combinatie, niet tot de examengroep behorend, loopt langs alle combinaties met een maximale afstand van een meter. (Hierbij wordt een andere hond, dan die van oefening 10, ingezet). Na langs alle combinaties gelopen te hebben gaat de afleidende combinatie weer de deur uit. Het gedrag van de honden mag niet hinderlijk zijn. Vervolgens wordt de theorietoets afgenomen, waarbij de honden moeten blijven liggen.
ALGEMEEN
19. Gedrag van de hond. (min. +/-)
Het gedrag van de hond mag niet storend zijn. Zowel niet te sociaal als asociaal. Een hond die bijt of probeert te bijten wordt gediskwalificeerd.
20. Gedrag van de geleider. (min. +)
Ruw gedrag door de geleider leidt bij herhaling tot diskwalificatie.
Indien tijdens het examen zich een onveilige situatie voordoet bijvoorbeeld een hond die tijdens een oefening los schiet, geeft dit een onvoldoende (-).
21. Algehele verzorging. (min. +/-)
De hond dient er verzorgd uit te zien en in een goede algehele conditie te zijn; tanden en oren schoon, vacht geborsteld, nagels en voetjes zonodig geknipt. Ook dient de hond uitgelaten te zijn. Mocht de hond onverhoeds toch iets doen, moet de geleider op juiste wijze reageren (zie GH I).
THEORIE
22. Meerkeuze toets. (min. +)
Gevraagd wordt over de behandelde theorie, zie alle hoofdstukken. De meerkeuze toets bestaat uit 20 vragen. Waarvan er minimaal 16 goed moeten zijn (De theorie kan in bijzondere gevallen eventueel ook mondeling worden afgenomen. Dit dient men vooraf bij Cynophilia aan te vragen.)