Eisen voor het certificaat Gehoorzame Hond I KNK Cynophilia.
INLEIDING
De cursus Gehoorzame Hond (GH) staat voor het aanleren van maatschappelijk aanvaardbaar gedrag van de hond. Het doel van het examen is de hond te testen op sociaal gedrag en een goede opvoeding. De geleider wordt getest op zijn kennis over de juiste wijze van de omgang met een hond. Ook in kritische situaties dient de geleider te weten hoe te reageren op het gedrag van de hond. Overal waar te voor staat is niet acceptabel gedrag. Voor een juiste reactie heeft de geleider behalve praktische kennis ook theoretische kennis nodig. Mocht de hond ongewenst gedrag vertonen, dan moet de geleider hiermee om weten te gaan en laten zien dat hij/zij degene is die de regie in handen heeft en zich consequent gedraagt. Ten slotte moet de geleider zich bewust zijn van en handelen naar zijn maatschappelijke verantwoordelijkheid tegenover zowel de hond als de omgeving. Simpel gesteld de geleider is verantwoordelijk voor het gedrag van de hond, waar dan ook. Het examen is dus een optelsom van het functioneren van geleider en hond en de kennis van de geleider. Het GH is een basis en vormt samen met het GHII een complete opleiding.
ALGEMEEN
Natuurlijk is de hond voor het examen goed uitgelaten. De geleider van de hond dient meerdere poepzakjes op zak te hebben. Op verzoek van de keurmeester kan de geleider op ieder moment een poepzakje tonen. De hond draagt een halsband. De riem moet ”vast” zijn en mag niet flexibel zijn. De geleider volgt tijdens het hele examen de richtlijnen en aanwijzingen van de keurmeester.
Oefeningen die onderdeel zijn van het examen:
AUTO
1. Blijven in de auto.
De hond bevindt zich in de auto, niet aangelijnd of in een tuigje. Minimaal één van de ramen dient op een kier te staan zodanig dat de ruimte voldoende geventileerd is. De geleider is uit zicht gedurende tenminste 2 minuten. De hond dient zich rustig te gedragen en geen vernielingen aan te richten. Constant blaffen, janken en/of tegen de ramen opspringen geeft een onvoldoende. Het gebruik van een bench is toegestaan. De keurmees ter loopt gedurende deze periode een keer tussen de auto’s door, ook een persoon met een aangelijnde hond loopt in een slalom tussen de auto's door.
2. Uit de auto halen. (min. +/-)
De geleider opent de auto. De hond dient rustig te wachten. Een wachtcommando is hierbij toegestaan. Op een teken van de keurmeester wordt de hond aangelijnd en op aanwijzing van de keurmeester uit de auto gehaald. Het uit de auto halen gebeurt op een door de keurmeester te bepalen wijze en kant van de auto. De geleider houdt hierbij de riem kort vast; de riem mag hierbij strak staan.
De hond mag zich niet zodanig vrij kunnen bewegen dat een verkeersgevaarlijke situatie ontstaat. Dit geeft een onvoldoende (-).
Opmerking:
Indien de geleider niet in het bezit van een auto is, kunnen de oefeningen 1 en 2 ook in een auto van een ander worden uitgevoerd. Wanneer meerdere geleiders gebruik maken van één auto kan worden gekozen voor herhaling van deze oefening met eenzelfde auto. Meerdere honden in één auto is niet toegestaan.
VELD
3. Meelopen zonder hinderlijk gedrag t.o.v. geleider en omgeving. (min. +/-)
Het meelopen wordt gedurende het hele examen beoordeeld, specifiek tijdens een parcours van minimaal 60 meter. De geleider dient met de aangelijnde hond een vierkant te lopen, wat aangegeven is door markeringen op de hoeken. Het vierkant wordt tegen de klok in gelopen. Halverwege de rechte stukken worden de volgende drie oefeningen uitgevoerd, waarbij de plaats gemarkeerd mag worden. De plaats waar de hond loopt is niet belangrijk, zolang de hond de geleider niet hindert. De lijn moet ontspannen zijn. Er mag tegen de hond gepraat worden. De hond mag dus niet constant aan de riem trekken, snuffelen of gecorri geerd wor den. Zodra er gecorrigeerd wordt, moet dit effect hebben. Tijdens het meelopen worden de oefeningen "zit", "staan" en "af" getoond. Ook dient de geleider te wandelen door verspreid staande personen met hun honden.
4. Zit.
Tijdens het meelopen moet de hond tot zit worden gebracht op een van tevoren door de keurmees ter aangegeven plaats. Het tot zit brengen van de hond dient voor een kwalificatie goed (+) te gebeuren zonder de hond aan te raken. De hond dient te blijven "zitten" tot de geleider, op een teken van de keurmeester, het commando opheft.
5. Staan.
Tijdens het meelopen moet de hond tot staan worden gebracht op een van tevoren door de keurmees ter aangegeven plaats. Het tot staan brengen van de hond dient voor een goed (+) te gebeuren zonder de hond aan te raken. De hond dient te blijven "staan" tot de geleider, op een teken van de keurmeester, het commando opheft.
6. Af.
Tijdens het meelopen moet de hond tot af worden gebracht op een van tevoren door de keurmees ter aangegeven plaats. Het tot af brengen van de hond dient voor een goed (+) te gebeuren zonder de hond aan te raken. De hond dient te blijven "liggen" tot de geleider, op een teken van de keurmeester, het commando opheft.
7. Gecontroleerd spel en loslaten. (min. +/-)
De geleider geeft de hond toestemming om het speeltje vast te pakken om samen een trekspel te spelen. De geleider speelt een trekspel met de hond, waarbij geleider en hond samen het speeltje vasthouden. De geleider houdt met beide handen het speeltje vast en loopt versneld, met slinger bewegingen, achteruit. De geleider dient het spel onder contro le te hebben en dit op elk moment te kunnen beëindigen. Wild gedrag moet gecorrigeerd kunnen worden door een commando. Indien de hond tijdens het spelen voortdurend gromt of de geleider het spel niet onder controle heeft, geeft dit een onvoldoende (-). De hond moet op commando van de geleider het speeltje loslaten. De geleider moet dan het speeltje in de handen voor zich houden ter hoogte van de buik of lager. Het samen spelen, de controle van het spel, het loslaten en het speeltje "respecteren" worden beoordeeld.
STAD
8. Uitlaten. (min. +/-)
Een traject wordt in drie gedeeltes van ongeveer 100 meter verdeeld, waarbij het gekozen traject niet hinderlijk voor anderen mag zijn. Alleen op het tweede deel mag de hond zijn behoefte doen. Eventuele uitwerpselen van de hond worden door de gelei der opge ruimd met een poepzakje. Deze oefe ning wordt in groepsverband gedaan. De geleider loopt in normaal wandeltempo.
Indien de hond op een ander moment tijdens het examen zijn behoefte doet en de geleider reageert op de juiste manier, verbale correctie en zonodig opruimen, dan geeft dit een voldoende (+/-). Indien de eigenaar niet reageert, is dit een onvol doende (-). Natuurlijk is de hond voor het examen goed uitgelaten.
9. Negeren van fietser en trimmer. (min. +/-)
Terwijl de geleiders met hun hond wandelen, achter elkaar en de honden aangelijnd, passeert tweemaal een fietser, die belt, op ongeveer 2 meter afstand aan de zijde waar de hond zich bevindt, en loopt er tweemaal een trimmer voorbij. De trimmer roept een paar keer iets. Het naderen van de groep geleiders geschiedt de eerste keer van voren, de tweede keer van achteren. De honden moeten rustig doorlopen, zonder te reageren. Reageert een hond meerdere keren, zowel te sociaal als asociaal, geeft dat een onvoldoende (-).
10. Vastleggen en blijven.
De geleider legt de hond vast (bijvoorbeeld aan een paal) en gaat uit zicht gedurende ten minste 2 minuten. Indien er gebruik wordt gemaakt van een slippende halsband dient deze in de zogenaamde open stand omgedaan te worden. Het vastbinden geschiedt zodanig, dat de hond kan gaan staan en liggen zonder verward te raken in de riem. Tijdens de oefening passeert een persoon met een rustige hond, die niet tot de examengroep behoort, op een afstand van ongeveer 1 meter. De hond moet alle activi teiten in zijn buurt rustig toelaten. Hij mag niet worden aangeraakt. De hond mag niet constant piepen of blaffen. De palen moeten zover uit elkaar staan dat de honden niet bij elkaar kunnen komen. Bij terugkomst kan de geleider de hond meteen losmaken van de paal en aangelijnd houden.
11. Komen. (min. +/-)
De hond wordt op een veilige plaats losgelaten, zonder onder appel gezet te worden. Eventueel mag de hond door een persoon meegelokt worden om de afstand te vergroten. De geleider loopt tijdens het vrij geven rustig tussen andere personen door van de hond af om zo afstand te scheppen. Op aanwijzing van de keurmees ter, staat de geleider stil en roept de hond meteen, zonder gebruik van speeltje of voer. De hond dient vlot te komen om weer te worden aangelijnd. De oefening gebeurt één voor één, terwijl de andere honden aangelijnd rondlopen. De geleider mag maximaal vier keer roepen of fluiten al dan niet ondersteund met gebaren.
-
DIERENARTS EN VERZORGING
12. Hand geven. (min. +/-)
De geleider loopt met de hond naar de keurmeester en geeft deze een hand. De hond mag niet tegen de keurmeester opspringen of ander storend gedrag vertonen. Herhaaldelijk tegen de keurmeester opspringen, ook na een correctie, geeft een onvoldoen de (-).
13. Op tafel tillen. (min. +/-)
De geleider tilt, ervoor zorg dragend dat de rug van de hond recht blijft, de hond op en zet de hond, via de kortste weg, op tafel. Dit gebeurt door de geleider, eventueel bij grote honden met hulp. Bij hulp dient de eigenaar de voorkant van de hond te nemen en de helper de achterkant. De geleider dient de helper in details te vertellen hoe hij moet tillen. Er wordt op gelet dat dit op een voor het ras juiste manier gebeurd.
Bij honden, behorende tot een extreem zwaar ras, ter beoordeling van de keurmeester, mag de geleider volstaan met de hond aan de voorkant op te tillen, rond de voorborst, zodanig dat de voorpoten los zijn van de grond. Het onderdeel Dierenarts zal dan verder op de grond worden afgewerkt.
14. Oren en keel laten bekijken; rug en poten aanraken; staart optillen. (min. +/-)
De geleider toont kort de keel van de hond aan de keurmeester. De rest van de oefening voert de keurmeester uit. De geleider moet hierbij assisteren door de hond vast te houden zodat deze niet van de tafel kan vallen. De keurmeester vraagt of de hond betrouwbaar is. Zo niet, dan wordt deze oefening uitgevoerd als de hond het snuitbandje goed vast om heeft. De keurmeester bekijkt de oren, laat de hand over rug en poten gaan en tilt de staart iets op. De hond moet dit rustig ondergaan. De geleider mag altijd geruststellend met de hond praten.
15. Snuitbandje omdoen. (min. +/-)
Het snuitbandje moet zodanig worden omgedaan dat de hond niet meer in staat is zijn tanden van elkaar te doen. De knoop van het snuitbandje moet onder de snuit zitten met een strik achter de oren, uitgevoerd door de geleider. Deze oefening wordt bij voorkeur uitgevoerd op een tafel. Er moet worden aangetoond dat het snuitbandje op de juiste manier is omgedaan, het ras in aanmerking genomen. De keurmeester controleert het snuitbandje door te proberen een lip van de hond op te tillen.
16. Gebitsverzorging.
De geleider dient te tonen dat hij op correcte wijze met behulp van bijvoorbeeld een gaasje of zachte tandenborstel het gebit kan reinigen. Voor een goed (+) dient de hond dit zonder tegenwerking toe te laten.
17. Medicijnen ingeven. (min. +/-)
De geleider dient te tonen de hond een tablet te kunnen toedienen (zonder
hulpmiddelen). De geleider kan hiervoor een onschadelijk tablet voor de hond
gebruiken, zoals biergist. De geleider moet de bek van de hond openen. De tablet
erin stoppen en kaken op elkaar houden tot de hond de tablet heeft doorgeslikt.
Aaien over het strottenhoofd is toegestaan. Voor een goed (+) dient de hond dit
rustig te ondergaan. Tegenwerking geeft een voldoende (+/-). Indien de hond de
tablet uitspuugt, mag de oefening nog één keer overgedaan worden voor een
voldoende (+/-), mits de tablet doorgeslikt wordt. Opnieuw uitspugen van de tablet
door de hond geeft een onvoldoende (-).
18. Afdrogen staand en liggend borstelen. (min. +/-)
De geleider droogt de staande hond af met behulp van een meegebrachte handdoek. De rug, buik en poten dienen een droogbeurt te krijgen. De hond wordt met een (flat) commando in zijligging gebracht. Vervolgens wordt de hond liggend geborsteld, ook tussen de voorpoten. Tevens worden de voeten geïnspec teerd op steentjes of beschadigingen. Dit mag worden uitgevoerd wanneer de hond staat. De gehele oefening mag op tafel worden uitge voerd. Bij het tot liggen brengen is handhulp toegestaan.Voor een goed (+) dient de hond dit geheel rustig toe te laten. Indien de hond niet in de liggende positie te borstelen is geeft dit een onvoldoende (-). Herhaaldelijke tegenwerking en/of grommen geeft een onvoldoende (-).
19. Voerbaktraining. (min. +/-)
De hond wordt tot rust gebracht, bijvoorbeeld in zittende positie. De hond krijgt een voerbak met wat voedsel voor zijn neus. De riem mag hierbij strak staan. Na toestemming mag de hond gaan eten. De geleider beroert met zijn hand het voer in de voerbak terwijl de hond eet. De geleider neemt, al pratend, de voerbak op, als deze nog niet leeg is, wat de hond rustig moet toelaten, zonder nahappen of springen. Zonodig vult de geleider de bak bij en zet de bak weer neer. Bij het bijvullen hoeft de hond niet te zitten. De hond mag daarna verder rustig alles opeten. Gromt de hond tijdens deze oefening dan geeft dat een onvoldoende (-).
Indien de voerbak aan het einde van de oefening nog niet leeg is, mag de rest aan de hond worden aangeboden op voldoende afstand van de andere deelnemende honden.
RESTAURANT / VISITE
20. Plaats leggen en houden.
De geleider legt de hond op een veilige plaats, voor de omgeving, af. De geleider bevindt zich tijdens deze oefening in de nabijheid van de hond. De hond moet blijven liggen, tot de keurmeester aangeeft, dat het commando mag worden opgeheven. Gaat de hond staan of zitten, dan zorgt de geleider ervoor dat de hond weer gaat liggen. Het gedrag van de hond mag niet hinderlijk zijn. Er wordt bijvoorbeeld gemeen schap pelijk koffie gedronken.
Tegelijkertijd kan de meerkeuzetoets worden afgenomen. Bij het betreden van het restaurant en het verlaten, dient eerst de geleider door de deuropening te gaan.
ALGEMEEN
21. Gedrag van de hond. (min. +/-)
Het gedrag van de hond mag niet storend zijn. Zowel niet te sociaal als asociaal. Een hond die bijt of probeert te bijten wordt gediskwalificeerd.
22. Gedrag van de geleider. (min. +)
Ruw gedrag door de geleider leidt bij herhaling tot diskwalificatie.
Indien zich tijdens het examen een onveilige situatie voordoet, bijvoorbeeld een
hond die tijdens een oefening los schiet, geeft dit een onvoldoende (-).
THEORIE
23. Meerkeuze toets. (min. +)
Gevraagd wordt over de behandelde theorie, zie alle hoofdstukken. De meerkeuze toets bestaat uit 20 vragen. Waarvan er minimaal 16 goed moeten zijn (De theorie kan in bijzondere gevallen eventueel ook mondeling worden afgenomen. Dit dient men vooraf bij Cynophilia aan te vragen